De nieuwe kerndoelen rekenen-wiskunde zijn inmiddels een feit. Voor scholen betekent dat opnieuw kijken naar het onderwijs: wat willen we leerlingen leren, welke kennis en vaardigheden vinden we belangrijk en hoe zorgen we ervoor dat leerlingen zich daarin ontwikkelen?
De eerste reflex kan zijn om aan de slag te gaan met documenten. Kerndoelen verzamelen, curriculumoverzichten aanpassen, leerlijnen naast methodes leggen, nieuwe plannen schrijven en afspraken vastleggen. Dat kan waardevol zijn. Maar het risico is dat de implementatie vooral een papieren werkelijkheid wordt.
De invoering van nieuwe kerndoelen vraagt niet in de eerste plaats om nieuwe documenten. Het vraagt om nieuwe manieren van kijken naar leren binnen het reken-wiskundeonderwijs.
Kerndoelen worden zichtbaar in leerlinggedrag
Een kerndoel staat op papier, maar leren gebeurt in de klas. Uiteindelijk wordt een kerndoel zichtbaar in wat leerlingen kennen, begrijpen en kunnen.
Bij rekenen-wiskunde gaat het bijvoorbeeld niet alleen om het correct uitvoeren van een bewerking. We zien de ontwikkeling van leerlingen terug in hun gedrag: hoe zij een rekenprobleem aanpakken, welke strategie zij kiezen, hoe zij hun redenering verwoorden, of zij verbanden leggen, fouten herkennen en hun aanpak bijstellen.
De vraag is daarom niet alleen:
Wat staat er in het nieuwe kerndoel?
Maar vooral:
Welk leerlinggedrag willen we uiteindelijk zien?
Dat vraagt om een andere manier van kijken. Van het beschrijven van wat de school moet aanbieden naar het analyseren van wat leerlingen daadwerkelijk laten zien.
Leerlinggedrag ontstaat niet vanzelf
Wanneer leerlingen ander gedrag moeten laten zien, verandert niet automatisch het leerlinggedrag. Daarvoor is ander onderwijs nodig.
Het leerlinggedrag dat we binnen het reken-wiskundeonderwijs willen ontwikkelen wordt mede beïnvloed door het handelen van de onderwijsprofessional.
Een leerling die zelfstandig strategieën kiest, heeft bijvoorbeeld ruimte nodig om keuzes te maken. Een leerling die leert redeneren, heeft vragen nodig die verder gaan dan alleen: “Wat is het antwoord?” Een leerling die leert reflecteren op een rekenaanpak, moet regelmatig worden uitgenodigd om uit te leggen waarom een aanpak werkt en wat een volgende keer anders kan.
Daarmee verschuift de aandacht van alleen wat leerlingen moeten leren naar de vraag:
Wat doet de onderwijsprofessional waardoor dit leerlinggedrag kan ontstaan?
Dat maakt de implementatie van nieuwe kerndoelen concreet. Het gaat niet alleen om het aanpassen van doelen en plannen, maar om het onderzoeken van de interactie tussen handelen van de onderwijsprofessional en leerlinggedrag.
Van kerndoel naar klaspraktijk
Stel dat een nieuw kerndoel vraagt dat leerlingen leren om wiskundig te redeneren. Dan is het onvoldoende om dit doel op te nemen in een groepsplan of jaarplanning.
De relevante vragen zijn bijvoorbeeld:
-
- Welke vormen van leerlinggedrag passen bij wiskundig redeneren?
- Wanneer zien we dat gedrag al in onze groepen?
- Wanneer zien we het nog onvoldoende?
- Welke vragen stellen onderwijsprofessionals?
- Hoeveel ruimte krijgen leerlingen om verschillende strategieën te bespreken?
- Wat gebeurt er wanneer een leerling een fout maakt?
- Welke feedback krijgen leerlingen?
- Welke keuzes maakt de onderwijsprofessional in instructie, verwerking en interactie?
- Welke onderwijsactiviteiten stimuleren het gewenste leerlinggedrag – en welke staan dat juist in de weg?
Zo ontstaat een veel concreter gesprek over onderwijs.
Eerst kijken, dan veranderen
Een duurzame implementatie begint daarom niet met de vraag: “Wat moeten we allemaal aanpassen vanwege de nieuwe kerndoelen?”
Een betere startvraag is:
“Wat zien we op dit moment gebeuren in onze onderwijspraktijk?”
Kijk bijvoorbeeld mee tijdens een rekenles. Observeer leerlingen. Luister naar hun gesprekken. Bekijk hun oplossingsstrategieën. Analyseer de vragen van de onderwijsprofessional. Kijk naar de feedback die wordt gegeven. Onderzoek hoeveel leerlingen daadwerkelijk actief nadenken en welke leerlingen vooral uitvoeren wat van hen wordt gevraagd.
Juist door de bestaande praktijk zichtbaar te maken, ontstaan waardevolle ontwikkelvragen.
Misschien blijkt dat leerlingen al veel zelfstandig strategieën kiezen, maar nog weinig uitleggen waarom zij een bepaalde strategie gebruiken. Of misschien krijgen leerlingen veel feedback op het antwoord, terwijl er minder aandacht is voor het denkproces dat eraan voorafging.
Dat zijn geen tekortkomingen die direct om een nieuw document vragen. Het zijn aanknopingspunten voor professionele ontwikkeling.
Van implementeren naar ontwikkelen
De nieuwe kerndoelen kunnen daarmee een aanleiding zijn om opnieuw naar het reken-wiskundeonderwijs te kijken. Niet als een afvinklijst, maar als een spiegel voor de onderwijspraktijk.
De kern is:
Kerndoel → gewenst leerlinggedrag → passend handelen van de onderwijsprofessional → analyseren en verbeteren van de onderwijspraktijk.

Deze beweging maakt de implementatie betekenisvol. Want wanneer duidelijk is welk gedrag we bij leerlingen willen zien, kunnen we onderzoeken welk handelen van de onderwijsprofessional daarvoor nodig is. En wanneer we vervolgens de praktijk analyseren, ontstaat een concrete basis voor verbetering.
Daarmee wordt de invoering van nieuwe kerndoelen geen losstaand verandertraject naast het bestaande onderwijs. Het wordt een kans om scherper te kijken naar de kwaliteit van het onderwijs dat iedere dag in de klas plaatsvindt.
Daarom begint duurzame implementatie niet bij het kerndoel, maar bij het analyseren van de onderwijspraktijk.
Meer weten? In de volgende nieuwsbrieven kun je een vervolg lezen op dit artikel waarin we aandacht hebben voor concrete voorbeelden uit de praktijk.
Uiteraard staan wij ook graag voor je klaar m.b.t. vraagstukken omtrent een duurzame implementatie van de kerndoelen rekenen-wiskunde.
Silke Korsch
Ine van de Sluis
Marieke de Haan
Kimberly Pijnenburg





