Skip to main content

In mei 2017 lanceerde Onderwijs Maak Je Samen en Stichting De Brink het Engelstalige boek: The Dutch Way in Education, teach, learn & lead the Dutch Way. Een half jaar later verscheen de Nederlanstalige editie.

Nederland doet het al jaren goed in Pisa rankings, scoren hoog als het gaat over het welbevinden van het kind en hebben een hoogwaardig onderwijssysteem met een goede balans tussen excellentie en gelijke kansen. Dat zijn nog maar een paar aspecten die aangeven dat de Nederlandse maatschapij en haar onderwijs ook nog genoeg te ontdekken hebben. “A hidden gem” aldus professor Alma Harris.

Diverse hoogleraren hebben een bijdrage geleverd aan The Dutch Way, waarin ze elk aangeven dat het niet gaat om de onkritische viering van alle successen van het Nederlandse onderwijssysteem. Integendeel, het is een doordacht, empirisch-geïnformeerd reflecterend boek, samengesteld door degenen die het best in staat zijn om commentaar te leveren op wat geweest is en wat er nog moet worden bereikt binnen de context van het Nederlandse onderwijssysteem.

Lees de volledige inleiding hieronder.

The Dutch Way (NL)

Leren, lesgeven en leiderschap in het Nederlandse onderwijs

Inleiding

De familie Richards uit de VS komt aan op Schiphol International Airport, een van ’s werelds beste luchthavens, met meer dan 50 miljoen passagiers per jaar. In de aankomsthal wordt het gezin verwelkomd met klompen, molentjes, Delfts blauw en reproducties van Van Gogh, Rembrandt en Vermeer. Na een vlotte bagageafhandeling huurt het gezin een auto en vertrekt richting Keukenhof, de beroemde showtuin van de Nederlandse bloemenindustrie. Onderweg roept Dave vanaf de achterbank: ‘Hé pap, er vaart een boot boven ons hoofd!’ De hele familie kijkt uit het raam en inderdaad, er vaart een schip over de hoger gelegen ringvaart.

Welkom in Nederland. Een klein, eigenzinnig, laaggelegen en dichtbevolkt land, omgeven door water aan de monding van enkele belangrijke rivieren, toegangspoort tot het Europese achterland, hub in het internationale verkeer. Het beeld van een boot die boven ons hoofd vaart, illustreert dat Nederlanders in staat zijn om dingen te realiseren die eigenlijk niet voor mogelijk gehouden werden.

Het zo herkenbare polderlandschap waar de familie Richards doorheen rijdt, is vanaf de 10e eeuw ontstaan in de geesten van mensen met urgentiebesef, kennis van zaken en ondernemingszin. Door het gebrek aan ruimte en de constante bedreiging van water verkreeg Nederland veel expertise op het gebied van watermanagement. Dijken, molens, gemalen, waterschappen, een stormvloedkering enzovoort, ze zijn allemaal ontstaan door de creativiteit, innovatiedrang en het doorzettingsvermogen van dat noest werkende, calvinistische volkje aan de rand van de Noordzee. Het onderwijs zorgde er vervolgens voor dat de opgedane kennis zich van generatie op generatie doorontwikkelde. Niet alleen op het gebied van watermanagement behoort Nederland vandaag de dag tot de absolute wereldtop, ook op het gebied van agri-food, chemie, creatieve industrie, energie, high-tech industrie, life sciences en logistiek doen we mee in de eredivisie. Nederland is een kennis- en innovatieland, waar het bovenal bijzonder goed toeven is.

Uit de golf van pessimisme die over dit land spoelt, zou je kunnen opmaken dat de apocalyps niet ver meer weg kan zijn. Als die zich al niet komende nacht om 12 uur voordoet, dan toch in elk geval binnen een paar maanden. Opnieuw staat de Ondergang van het Avondland voor de deur – en als het niet die ondergang is, dan wel een andere. Nog is Nederland niet verloren, maar het scheelt niet veel. Sluit de grenzen!

Dat doemdenken staat in schrille tegenstelling tot de harde feiten zoals die naar voren komen uit internationaal vergelijkend onderzoek. Het gaat nu al meer dan voortreffelijk in dit land en het ziet ernaar uit dat het volgend jaar alleen nog maar beter zal gaan.

De economische groei bedraagt naar verwachting in 2017 2,4%, de werkloosheid daalt verder, het begrotingstekort gaat naar nul, de koopkracht is nu al de op één na hoogste van de EU, Nederland staat in de top 10 van landen met een sterke concurrentiepositie en het behoort tot de vijf meest innovatieve economieën ter wereld, we hebben hier de beste gezondheidszorg van Europa en die is nog betaalbaar ook, de pensioenen zijn fantastisch, het onderwijs is in maar drie landen nóg voortreffelijker, de criminaliteitscijfers zijn laag, we nemen plaats 4 in op de ranglijst van landen waar kinderen zich het gelukkigst voelen en plaats 7 op die van gelukkige volwassenen, er heerst een grote mate van vrijheid voor burgers en pers en wat democratisch gehalte betreft staan we ook in de top 10.

Die lijstjes zeggen niet dat er hier niks meer valt te verbeteren, maar wel dat we in een bevoorrecht land wonen. Eigenlijk gaat het alleen in Denemarken en Zweden nog beter, maar daar gaat het zo goed, dat het saai begint te worden en dat wil je ook niet. Er moet wat te kankeren blijven, anders wordt iedereen ongelukkig.

Bert Wagendorp, column bij de jaarwisseling in de Volkskrant van 31 december 2016.

Waarom dit boek?

De directe aanleiding voor het verschijnen van The Dutch Way is het feit dat het onderwijssysteem zoals we dat nu kennen, in 2017 honderd jaar bestaat. Met de Pacificatie eindigde in 1917 de schoolstrijd tussen protestanten en katholieken over de vrijheid van onderwijs en de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder (privaat) onderwijs (zie hoofdstuk 1 en 6).

Er is nog een aantal redenen te noemen. De wereldwijde discussie over onderwijskwaliteit wordt al jaren gedomineerd door de PISA-, TALIS-, TIMSS- en PIRLS-onderzoeken en een dominant Angelsaksisch sturingsparadigma. Ook in Nederland is de trend naar homogenisering van het curriculum, het accent op de cognitieve leervakken, gestandaardiseerde toetsen en ranglijsten van scholen in de media waar te nemen. Pasi Sahlberg, de bekende Finse onderwijsdenker, zei het onlangs nog treffend: ‘Als iedereen de beste of de eerste in de ranglijsten wil zijn, dan zijn er vooral heel veel verliezers.’ En dat kan nooit de bedoeling van onderwijs zijn. Hij wijst op het gevaar van de Global Education Reform Movement (GERM), een virus dat zich in rap tempo onder overheden, beleidsmakers en bestuurders over de wereld verspreidt (Sahlberg, 2013). In Leading Futures (2016) plaatsen prof. dr. Alma Harris en dr. Michelle Jones Aziatische en Oost-Europese alternatieven tegenover het dominante Angelsaksische paradigma. Zij wijzen op het belang van context en cultuur bij het vinden van passende antwoorden op de uitdagingen van deze tijd. Wereldwijd hebben overheden en beleidsmakers grenzeloos vertrouwen in het vergelijkend beleidsonderzoek, vanuit de opvatting dat wat in het ene land werkt in het andere land ook wel zal werken. We herkennen twee dominante benaderingen:

1. De beloofde land-benadering

Waarbij onderzoekers een element uit het systeem propageren, zonder dat element in zijn context te beschrijven. Recente voorbeelden hiervan zijn Finland – waarbij men stelt dat universitair geschoolde leraren de bepalende succesfactor zijn – en Singapore, waarbij het reken- & wiskundeonderwijs als de bepalende factor voor economische en technologische vooruitgang genoemd wordt.

2. De statistische benadering

Van onder anderen de Duitse econometrist Wößmann, die we vaak terugvinden in de vorm van ‘wat werkt-conclusies’. Men krijgt dan redeneringen als: een combinatie van decentraal bepaalde curriculuminhouden en centrale schriftelijke eindtoetsen geeft de beste resultaten. In deze benadering verengt de statistiek de complexe werkelijkheid tot enkele bepalende factoren, terwijl we weten dat er honderden factoren en toevalligheden zijn die het onderwijs iedere dag beïnvloeden.

Het fundamentele probleem van dit soort onderzoek is dat je appels met peren vergelijkt. De veelvormigheid van contexten en de culturele variëteit binnen die contexten kan nooit volledig beschreven worden in een onderzoek. De generaliseerbaarheid van de conclusies en daarmee ook de transponeerbaarheid van de oplossingen naar andere contexten is het echte probleem. Veel landen gaan anders om met ‘competitie’ dan de VS. Daarom werkt het Angelsaksische paradigma niet overal. Veel landen gaan anders om met ‘gehoorzaamheid’ dan oosterse landen die een confuciaanse traditie hebben. Ook het ‘omgaan met autoriteit’ wordt bepaald door culturele variabelen. Typerend voor Nederland en West-Europa is dat we graag erkend en gehoord willen worden in onze ‘eigenheid’ als uniek persoon. Ook dat is contextueel en cultureel bepaald.

Hoe graag we ook willen, het kopiëren van een aanpak die in het ene land succesvol is, is geen garantie dat het in een ander land ook zo werkt. Iedere leraar, iedere school, ieder land heeft zijn eigen weg te gaan. Dat is essentieel voor ieder(s) leerproces. Als we onszelf de tijd gunnen om wat dieper te kijken, dan ontdekken we dat er overal verschillende antwoorden gevonden worden op veelal dezelfde maatschappelijke uitdagingen. Die antwoorden zijn te plaatsen in een historisch perspectief, doen recht aan culturele waarden en lokale opvattingen en zijn passend voor die context. De Worlds Values Survey1, een onderzoek dat sinds 1981 in bijna honderd landen wordt uitgevoerd, helpt wetenschappers, overheden en beleidsmakers om veranderingen in de opvattingen, waarden en motivatie van mensen van ruim 90% van de wereldbevolking te volgen. Daarmee is deze survey een waardevol hulpmiddel bij het ontwikkelen van adequate oplossingen of succesvolle innovaties voor verschillende contexten en culturen.

Door met respect naar de nuances te kijken en het daarover te hebben met elkaar, leren we diversiteit waarderen en variëteit respecteren. Zo komen we op het spoor van beloftevolle aanpakken voor onze eigen context. Daarom willen professionals collegiaal leren in netwerken, doen we aan internationalisering en is het wereldwijde discours over goed onderwijs van vitaal belang voor duurzame ontwikkelingen in het onderwijs en onze samenlevingen.

Als men oppervlakkig naar Nederland kijkt, dan valt op dat we op weinig gebieden de beste van de wereld zijn, maar dat we op heel veel terreinen heel goed zijn. We kunnen stellen dat we in lijn met onze volksaard (doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg) niet zo bezig zijn met de ranglijsten, maar dat de systeemcoherentie ervoor zorgt dat het hier prettig leren, leven, wonen en werken is. Misschien heeft Nederland daardoor volgens Unicef (2013) wel de gelukkigste kinderen ter wereld.

Kijken we wat dieper dan zien we bijvoorbeeld dat Nederland:

  • bij de PISA-onderzoeken al twintig jaar in de top 10 heeft gestaan;
  • minder dan het OESO-gemiddelde aan onderwijs uitgeeft en toch bij de 10% best presterende landen hoort;
  • goed algemeen toegankelijk onderwijs heeft en een hoge deelname aan hoger onderwijs;
  • een bevolking heeft waarvan 94% twee of meer talen spreekt.

Met dit soort aansprekende resultaten wordt het tijd dat Nederland met gepaste trots aan de wereld laat zien wat ons onderwijs allemaal te bieden heeft. Nederland heeft een unieke middenpositie tussen West en Oost en biedt de lezer die wat dieper wil kijken, alternatieven in de paradigma-discussie.

Dit boek wil perspectief bieden, want er is ook een ‘gewenste’ toekomst. Voor veel ontwikkelingslanden en opkomende economieën is onderwijs nog steeds een ‘emancipatiemotor’.

Een manier om je te verzekeren van inkomen en op te klimmen op de maatschappelijke ladder. In een toenemend aantal samenlevingen wordt onderwijs echter meer en meer een ‘participatiemotor’: een instituut dat er niet alleen voor zorgt dat je je kwalificeert voor de arbeidsmarkt, maar waar je ook leert hoe je meedoet en bijdraagt aan een vitale en duurzame samenleving. Daarmee wordt de socialisatiefunctie van onderwijs (zie hoofdstuk 2) in de toekomst steeds belangrijker.

Volgens de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens heeft ieder kind recht op onderwijs. Op onderwijs dat gericht is op de volledige ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid en op de versterking van de eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De dialoog tussen ouders, leraren, schoolleiders, bestuurders, beleidsmakers en overheden moet kinderen waar ook ter wereld in iedere context en in iedere cultuur optimale ontwikkelingskansen bieden, opdat we samen in staat zijn om de Global Goals voor Sustainable Development2 waar te maken.

Kortom, met dit boek willen we:

  • met gepaste trots laten zien dat het Nederlandse onderwijs eigenzinnige keuzes maakt en veel moois te bieden heeft;
  • de Nederlandse (onderwijs)context en -cultuur toegankelijker maken voor belangstellenden;
  • uitnodigen tot collectief leren in een internationaal perspectief;
  • Nederland positioneren als een alternatief in de paradigma-discussie;
  • bijdragen aan het wereldwijde discours over ‘goed’ onderwijs.

Wat staat er in dit boek?

The Dutch Way is beslist geen showcase voor het zoveelste onderwijs-walhalla. In dit boek laten toonaangevende Nederlandse wetenschappers en onderwijsdenkers u in negen toegankelijke hoofdstukken kennismaken met de unieke aspecten van ons onderwijssysteem. De auteurs geven u een realistische kijk op hoe het Nederlandse onderwijs omgaat met de uitdagingen van deze tijd en welke originele antwoorden het hier op heeft. Laat u verrassen, wellicht bieden ze zelfs wat nieuwe inzichten in uw eigen context.

Het is een mooie mix geworden van enkele algemene beschouwingen over ‘goed’ onderwijs en de uitdagingen voor het stelsel en een aantal beschrijvingen vanuit de verschillende onderwijssectoren met een specifieke thematiek. Om de lezer op weg te helpen bespreken we wat u te wachten staat.

Het Nederlandse onderwijssysteem wordt internationaal vaak geroemd als een goed voorbeeld van de grote vrijheid van onderwijs en een hoge mate van autonomie voor ouders, leraren en schoolbesturen. De vrijheid van onderwijs is het resultaat van het oplossen van een felle politieke (school)strijd van meer dan honderd jaar. Ze was oorspronkelijk bedoeld om ouders en private partijen in de samenleving het recht te geven om eigen scholen op te richten op basis van religieuze of levensbeschouwelijke gronden. In hoofdstuk 1 bespreekt prof. dr. Edith Hooge de vrijheid van onderwijs als een complex samenspel van krachten. Ze gaat in op de vraag welke autonomie ouders, leraren en schoolbesturen nu wettelijk en in de praktijk hebben en verkent twee mechanismen, die daarbij vandaag de dag een rol spelen: het gebruik van beleidsinstrumenten anders dan wetgeving en de beperkende effecten op die vrijheid op bestuursniveau.

Hoofdstuk 2 is meer algemeen beschouwend van aard. In dit hoofdstuk breekt prof. dr. Gert Biesta een lans voor het professionele oordeel van de leraar. Hij laat ons zien dat de huidige ‘taal van het leren’ een goed begrip van de theorie en de praktijk van het onderwijs in de weg staat en wijst op de noodzaak om ons te heroriënteren op de normatieve vraag: wat is goed onderwijs? Om die vraag te kunnen beantwoorden moet het ‘doel’ van onderwijs helder zijn. Hij introduceert drie doeldomeinen (kwalificatie, socialisatie en subjectificatie). Aan deze doeldomeinen wordt in de bijdragen van andere auteurs veelvuldig gerefereerd. De doeldomeinen bieden ons de mogelijkheid om een multidimensionaal antwoord te geven op de vraag wat ‘goed’ onderwijs is. In het tweede deel van dit hoofdstuk bespreekt Biesta drie tendensen in de professionalisering van leraren: studenten als klant behandelen, de wijze van verantwoorden en het vervangen van het professioneel oordeel van de leraar door wetenschappelijk bewijs.

Hoofdstuk 3 besteedt aandacht aan het jonge kind (0-6 jaar). In Nederland vinden we een breed palet aan samenwerkingsvormen tussen onderwijs, kinderopvang, buitenschoolse opvang en peuterspeelzalen. Dr. Jeannette Doornenbal beschrijft in haar bijdrage inclusie als opdracht voor integrale kindcentra (IKC). Een inclusief IKC werkt aan de talentontwikkeling van ieder kind, ongeacht zijn afkomst, religie, geaardheid, aanleg of etniciteit. In haar bijdrage bespreekt ze vier aspecten die samen een wenkend perspectief vormen.

  • In de eerste plaats stelt ze dat men lokaal werk moet maken van een duurzame pedagogische infrastructuur.
  • In de tweede plaats zijn – naar de pedagoog Genesis Ponte – vijf zaken van belang om talent optimaal te ontwikkelen: een vertrouwensband opbouwen, de behoefte om erbij te horen, hoge verwachtingen hebben, de kwaliteit van de interactie en de professional als rolmodel.
  • In de derde plaats vraagt inclusief werken volgens Doornenbal om T-shaped professionals en teams.
  • In de vierde plaats stelt ze dat inclusief werken in een IKC nog volop ‘work in progress’ is, dat om nader onderzoek vraagt.

In hoofdstuk 4 beschrijft dr. Marco Snoek de veranderende rol en positie van de leraar in het onderwijs. Hij beschrijft de fasen in het beroepsvormingsproces van de leraar: van volger van systeemeisen en overheidsbeleid, via professionalisering van de individuele leraar, naar goed onderwijs als resultaat van een samenwerkingscultuur binnen teams. Deze benadering sluit goed aan bij de T-shaped teams zoals Doornenbal die beschrijft in hoofdstuk 3. Bij iedere fase behandelt Snoek de dilemma’s die bij deze fase horen en de succesvolle initiatieven die zijn genomen om door te groeien naar een volgende fase. Aan het slot van dit hoofdstuk gaat hij in op het fenomeen ‘teacher leadership’ en de omstandigheden die dat mogelijk maken.

Hoofdstuk 5 volgt een vergelijkbare opbouw. Prof. dr. Inge Wolf et al. gaan in hun bijdrage in op de veranderende rol en positie van de inspectie ten aanzien van het toezicht op de onderwijskwaliteit. De Nederlandse Inspectie van het Onderwijs bestaat sinds 1801 en is daarmee de oudste toezichthouder ter wereld. In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling van uniform toezicht, via risicogericht toezicht, naar bestuursgericht toezicht beschreven. Het huidige ‘waarderingskader’ geeft antwoord op drie elementaire vragen.

  • Zijn leerlingen veilig en hoe is de sfeer (schoolklimaat)?
  • Leren leerlingen genoeg (onderwijsresultaten)?
  • Krijgen leerlingen goed les (onderwijsproces)?

Daarnaast oordeelt de inspectie over de gebieden ‘kwaliteitszorg en ambitie’ en ‘financieel beheer’, omdat deze voorwaardelijk zijn voor duurzame onderwijskwaliteit. In dit hoofdstuk komen verder de jaarlijkse rapportage aan het parlement over de ‘Staat van het Onderwijs’ aan de orde en worden enkele dilemma’s voor toezichthouders behandeld.

Hoofdstuk 6 heeft weer een meer algemeen beschouwend karakter. Prof. dr. Marc Vermeulen en prof. dr. Sietske Waslander stellen in hun bijdrage de vraag hoe succesvol het Nederlandse onderwijssysteem de afgelopen honderd jaar is geweest sinds de Pacificatie in zijn emancipatorische opdracht. Vertrekkend vanuit een meritocratisch ideaal3, waarin je maatschappelijke positie vooral bepaald wordt op basis van kwalificaties, verkennen de auteurs de vraag waarom ook het Nederlandse onderwijssysteem – ondanks de goede toegankelijkheid – na honderd jaar nog steeds niet iedereen gelijke kansen biedt. Ze betogen dat we wellicht zelfs afstevenen op de ondergang van het meritocratisch ideaal. De auteurs introduceren een prikkelend model waarin de segregatie tussen de ‘haves’ en de ‘have not’s’ aan de onderkant van de arbeidsmarkt duidelijk gemaakt wordt. Dit leidt volgens hen tot verschillende vormen van extremisme. Zij geven voor iedere groep vervolgens aan wat onderwijs in de toekomst voor hen kan betekenen. Een visionaire bijdrage, die uitnodigt tot verdieping van het discours over wat ‘goed’ onderwijs is voor verschillende doelgroepen.

In de volgende twee hoofdstukken verleggen we de aandacht naar het beroepsonderwijs, waarbij steeds een belangrijke uitdaging centraal staat. In hoofdstuk 7 beschrijft dr. Rick Wolff hoe Nederland omgaat met ‘superdiversiteit’. Diversiteit betreft een situatie met één etnische meerderheidsgroep en verschillende etnische minderheidsgroepen. Bij superdiversiteit bestaat de populatie uit verschillende etnische groepen, waarvan geen enkele groep een (grote) meerderheid vormt. Dit is met name het geval bij grootstedelijke onderwijsinstellingen, zowel in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs als in het hoger onderwijs. Op zich is dit een positief gegeven: het laat namelijk zien dat alle onderwijslagen en -soorten daarbinnen in principe toegankelijk zijn voor alle jongeren.

Maar de schoolloopbanen richting het hoger onderwijs van jongeren zonder migratieachtergrond en jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond verschillen sterk. Dit gegeven leidt tot twee vragen die in de bijdrage van Wolff centraal staan.

  • Hoe komt het dat studenten van niet-westerse afkomst in het hoger onderwijs minder studiesucces behalen dan studenten zonder migratieachtergrond?
  • Wat is er nodig om studenten met en studenten zonder migratieachtergrond gelijke kansen te bieden op studiesucces in het hoger onderwijs?

Hij komt tot de conclusie dat een combinatie van veel aandacht voor de sturing van studenten, een persoonlijke benadering door docenten en begeleiders en kleinschaligheid van de onderwijsinstelling een beloftevolle mix is. Investeren in internationalisering versterkt het effect.

In hoofdstuk 8 bespreekt prof. dr. Marc van der Meer hoe het middelbaar beroepsonderwijs de kloof tussen theorie en praktijk probeert te dichten. Het beroepsonderwijs in Nederland staat internationaal goed op de kaart. Dat zien we onder andere aan de dubbele leerpaden (bol en bbl), die zich in combinaties ontwikkelen. Ook de jeugdwerkloosheid is in Europese termen relatief gering en de kansen voor jongeren die een vakopleiding afronden, zijn op de arbeidsmarkt aanzienlijk.

Tegelijkertijd zijn er belangrijke uitdagingen door interne en externe veranderingen op de arbeidsmarkt en door de verschuivingen in de leerlingenstromen. Gezien de vergaande technologische ontwikkelingen is samenwerking in innovatieve leer-werkarrangementen (het vormen van een verbindende leerarchitectuur) volgens Van der Meer het model van de toekomst.

In hoofdstuk 9 bespreekt prof. dr. ir. Caroline Hummels de innovatieve mindset van het Nederlandse onderwijs. Haar bijdrage valt uiteen in drie delen. In het eerste deel bespreekt ze de verschuivingen in de maatschappelijke en onderwijskundige paradigma’s die de basis vormen voor haar werk.

In het tweede deel gaat ze in op de noodzaak om een ‘zelfsturende, levenslang lerende’ te blijven. Ze maakt daarbij gebruik van tien parameters die zich voordoen in de vorm van (schijnbare) tegenstellingen. Enkele voorbeelden zijn: zelfsturend versus gestuurd leren, doen versus denken, tijd- en plaatsgebonden versus tijd- en plaats-onafhankelijk, individueel versus collectief leren en offline versus online (digitaal) leren. In het derde deel bespreekt Hummels vier inspirerende voorbeelden van innovatieve Nederlandse leeromgevingen.

In hoofdstuk 10 beschouwen prof. dr. Alma Harris en dr. Michelle Jones de ontwikkelingen in het Nederlandse onderwijs vanuit een internationaal perspectief.

En nu …

Een ambitie van The Dutch Way is om een bijdrage te leveren aan het discours over ‘goed’ onderwijs en een alternatief te bieden voor de dominante paradigma’s in die discussie. De tien hoofdstukken tezamen geven de lezer een mooi overzicht van de veelzijdigheid en veelvormigheid van ons unieke onderwijsbestel. Ze laten eveneens de uitdagingen zien waar de Nederlandse maatschappij en het onderwijs de komende jaren voor staan en de beloftevolle, innovatieve oplossingen, die momenteel in alle sectoren gevonden worden.

Samenvattend willen we vanuit de bijdragen van de auteurs als Nederland de volgende nieuwe accenten plaatsen in het discours:

• In de eerste plaats willen we een lans breken voor het onderscheid dat Gert Biesta maakt naar de drie doeldomeinen voor het onderwijs: kwalificatie, socialisatie en subjectificatie. Dit model voorkomt dat de focus van overheden en beleidsmakers bij onderwijsinnovaties te eenzijdig wordt en helpt ons om alle relevante aspecten in het discours te betrekken.

• In de tweede plaats willen we vanuit onze rijke pedagogische traditie ‘holistisch’ kijken naar de vraag: wat is goed voor de ontwikkeling van kinderen/jongeren? Vanuit het Nederlandse onderwijsstelsel betekent dit: gelijke kansen voor alle kinderen, veelzijdig talent binnen het systeem gericht ontwikkelen en excellentie stimuleren om op vele gebieden in de wereldtop mee te blijven doen.

• In de derde plaats hebben we een lange traditie in het omgaan met ‘diversiteit’ in samenleving en onderwijs. Ons fameuze poldermodel met zijn consensuscultuur is een goed voorbeeld van hoe Nederland al eeuwenlang in staat blijkt te zijn om productief om te gaan met schijnbaar onoverbrugbare tegenstellingen. In een tijd van wereldwijde polarisatie kon dit model weleens opnieuw goede diensten bewijzen.

Wat kunt u met The Dutch Way?

The Dutch Way is een ‘bladerboek’ met veel informatie en achtergronden. Het biedt leraren, studenten, onderzoekers, ministers, beleidsmakers en andere belangstellenden de mogelijkheid om snel kennis te maken met vele facetten van het unieke Nederlandse onderwijssysteem. Naast deze inleiding treft u in dit boek:

1. een reeks ‘infographics’ waarin we de lezer feitelijke informatie bieden over Nederland en zijn onderwijssysteem;

2. negen boeiende bijdragen van vooraanstaande Nederlandse wetenschappers en
onderwijsdenkers, die verschillende unieke aspecten van het Nederlandse onderwijs nader belichten. In de bijdragen beschrijven de auteurs de ontwikkeling die Nederland en het onderwijs op het besproken thema hebben doorgemaakt. Daarmee is de lezer in staat om het thema vanuit de Nederlandse context en cultuur te begrijpen en daarmee een genuanceerd oordeel te vormen over het besproken thema in internationaal perspectief. Ieder hoofdstuk sluit af met een drietal vragen over het thema die de auteur op dit moment erg bezig houden. Daarmee wordt een basis voor dialoog en discours gelegd.

3. een internationaal vergelijkend laatste hoofdstuk van Alma Harris en Michelle Jones met daarin een kritische beschouwing vanuit internationaal perspectief;

4. negen portretten van onderwijsmensen die het Nederlandse onderwijs maken en kleur
geven. Deze portretten bieden de lezer een inkijk in de alledaagse onderwijspraktijk en
geven een mooi beeld van wat deze ‘insiders’ zo waarderen aan het Nederlandse onderwijs.

Volgens ons, de initiatiefnemers van dit boek (Onderwijs Maak Je Samen en Stichting De Brink), is de tijd er rijp voor dat Nederland zich wat meer gaat mengen in het wereldwijde discours over ‘goed’ onderwijs. Met de grootst mogelijke zorg hebben we dit boek samengesteld. We hopen dat u door het lezen van dit boek ons land en ons onderwijssysteem nog meer zult gaan waarderen en dat het u nieuwe inzichten biedt.

De Nederlandse overheid, Nuffic, de auteurs en onze scholen zullen u graag met de juiste mensen in contact brengen, vanuit de stellige overtuiging dat alleen het discours ons verder brengt. Op onze website www.thedutch-way.com vindt u meer voorbeelden, downloadbare infographics en diverse contactgegevens.

Bronnen

Bakker, P. et al. (2005). Het Rijnlands model als inspiratiebron. Holland Management Review 103, 72-81.

Harris, A. & Jones, Michelle S. (2016). Leading Futures. Global Perspectives on Educational Leadership. New Delhi: SAGE Publications India.

Sahlberg, P. (2013). Finnish Lessons. Wat Nederland kan leren van het Finse onderwijs. Helmond: Uitgeverij OMJS/Stichting De Brink.

UNICEF Office of Research (2013). Child well-being in rich countries, a comparative overview. Innocenti Report Card 11. Florence: UNICEF Office of Research.

The Dutch Way (NL)

Leren, lesgeven en leiderschap in het Nederlandse onderwijs

In mei 2017 lanceerde Onderwijs Maak Je Samen en Stichting De Brink het Engelstalige boek: The Dutch Way in Education, teach, learn & lead the Dutch Way. Een half jaar later verschijnt de Nederlanstalige editie.

Nederland doet het al jaren goed in Pisa rankings, scoren hoog als het gaat over het welbevinden van het kind en hebben een hoogwaardig onderwijssysteem met een goede balans tussen excellentie en gelijke kansen. Dat zijn nog maar een paar aspecten die aangeven dat de Nederlandse maatschapij en haar onderwijs ook nog genoeg te ontdekken hebben. “A hidden gem” aldus professor Alma Harris.

Diverse hoogleraren hebben een bijdrage geleverd aan The Dutch Way, waarin ze elk aangeven dat het niet gaat om de onkritische viering van alle successen van het Nederlandse onderwijssysteem. Integendeel, het is een doordacht, empirisch-geïnformeerd reflecterend boek, samengesteld door degenen die het best in staat zijn om commentaar te leveren op wat geweest is en wat er nog moet worden bereikt binnen de context van het Nederlandse onderwijssysteem.

Engelstalige versie

‘The Dutch Way’ is ook in het Engels te verkrijgen.

Introductie: Jan Heijmans en Job Christians
Auteurs: E. Hooge, G. Biesta, M. Snoek, M. van der Meer, S. Waslander, M. Vermeulen, I. de Wolf, J. Verkroost, H. Franssen, C. Hummels, R. Wolff, J. Doornenbal, A. Harris en M. Jones.
Uitgeverij: Uitgeverij OMJS i.s.m. Stichting de Brink
Taal: Nederlands
ISBN: 978-90-79336-25-8
Uitvoering: hardcover
Jaar van uitgave: 2017
Druk: 1e druk
Aantal pagina’s: 264
Close Menu

Onderwijs Maak Je Samen

Steenovenweg 50
5708HN Helmond

T: +31(0)492881157
E: info@onderwijsmaakjesamen.nl