Skip to main content

Bereid uw studenten voor op de geglobaliseerde wereld!

In de nieuwe mondiale economie, zullen veel banen die nu bestaan er niet meer zijn, tegen de tijd dat de huidige generatie leerlingen het werkveld betreedt. Om te slagen in deze steeds veranderende wereld, moeten studenten in staat zijn om te denken als ondernemers: vindingrijk, flexibel, creatief en mondiaal.

Dit boek ontsluit de geheimen voor kweken van onafhankelijke denkers die bereid en in staat zijn om het door hen geleerde anders te gebruiken om banen te creëren en een postieve bijdrage te leveren aan de geglobaliseerde samenleving.

World Class Learners

Onderwijs voor een ondernemende generatie

Je krijgt van ons hoofdstuk 8, paragraaf 2 cadeau.

‘The good, the bad and the ugly’

Verschillende aspecten van projectmatig leren

 

Mijn twee kinderen hebben tijdens hun schooltijd tal van PGO-ervaringen gehad. Ze hebben pompoenen en lelies geteeld. Ze hebben posters en powerpoints gemaakt. Ze hebben keramische borden ontworpen en boeken geschreven. Zij hebben hun ideeën over het ecosysteem van boomkikkers laten zien in sciencecafés en hun bevindingen over andere landen gepresenteerd op ouderavonden. Alle jaren werden de resultaten die ze mee naar huis brachten, trots op de koelkast geplakt of door mijn vrouw zorgvuldig tentoongesteld op planken of in speciale dozen. Als deze creaties niet door mijn eigen kinderen gemaakt waren, dan had ik dat niet gedaan. Ze zijn zeker niet zo goed als sommige producten die door High Tech High-leerlingen zijn gemaakt. Het enige wat mijn zoon daadwerkelijk op school heeft gekweekt, is een lelie in de derde klas als een verjaardagscadeau voor zijn moeder. Mijn dochter maakte voor mij een Chinees schilderij, dat nog steeds in mijn kantoor hangt.

Ik weet niet precies wat en hoeveel ze van alle projecten hebben geleerd. Maar ik weet wel dat hun aanpak van deze projecten niet afweek van de aanpak van ander huiswerk, behalve dan dat het meer werk met zich meebracht voor mijn vrouw en mij. Om onze steun te betuigen brachten we hen naar winkels om materiaal te kopen en naar bijeenkomsten van hun projectgroep. We snuffelden in onze kelder naar bruikbare materialen. We vervulden hun last-minute verzoeken om knutselpapier of kleurpotloden. Ik ben een aanhanger van projectmatig leren en ‘leren door doen’. Daarom heb ik altijd mijn best gedaan om de betrokkenheid van mijn kinderen bij elk project te vergroten, door hun vragen te stellen, zodat ze meer over het onderwerp zouden lezen. Door hen feedback te geven, zodat ze hun producten zouden verbeteren en door hen uit te dagen om creatief te zijn. Vaak kreeg ik te horen: ‘Papa, dat is niet nodig, want de leraar wil alleen …’ Vervolgens leverden ze hun eindproducten in of hielden ze een presentatie en kregen ze een cijfer. Ze waren blij met een 9, maar ze hadden er ook niet extreem veel last van als het een 6 was.

De PGO-ervaringen van mijn kinderen lijken niet op de ervaringen van High Tech High-leerlingen. Beiden kunnen beschouwd worden als projectmatig leren. De eenvoudigste definitie van PGO is immers: ‘PGO is een model dat het leren rondom projecten organiseert’ (Thomas, 2000, p. 1). Deze definitie werd bedacht door John Thomas in zijn uitgebreide review van onderzoeksresultaten over projectmatig leren in opdracht van de Autodesk Foundation (Thomas, 2000). Ondanks het feit dat er vele pogingen zijn gedaan om de essentiële kenmerken van PGO te definiëren, bestaat er geen universeel aanvaard model. ‘De verschillende bepalende kenmerken, in combinatie met het ontbreken van een algemeen aanvaarde theorie over projectmatig leren, heeft geleid tot een breed spectrum aan PGO-onderzoek en ontwikkelactiviteiten’ (Thomas, 2000, p. 2). Het is dus geen verrassing dat PGO in verschillende smaken wordt aangeboden. De verschillen zijn grotendeels te wijten aan de ingrediënten waarmee gewerkt wordt. In zijn uitgebreide review stelde John Thomas een lijst PGO-kenmerken vast die afkomstig waren uit verschillende bronnen:

Volgens de definities in PGO-handboeken voor leraren zijn projecten complexe taken die gebaseerd zijn op uitdagende vragen of problemen en die leerlingen betrekken bij een ontwerp, probleemoplossing, besluitvorming of onderzoek. Ze geven leerlingen de kans om gedurende langere perioden relatief autonoom te werken, om te komen tot realistische producten of presentaties. Andere bepalende kenmerken die in de literatuur gevonden werden, zijn onder meer authentieke inhoud, authentieke assessment, faciliteren – niet dirigeren – door leraren, expliciete leerdoelen, coöperatief leren, reflectie en het uitvoeren van volwassen activiteiten. Bepaalde PGO-modellen voegen hieraan een aantal unieke eigenschappen toe. Definities van ‘projectmatig onderwijs’ bevatten kenmerken als het gebruik van een authentieke vraagstelling, een leergemeenschap en het gebruik van cognitieve (op technologie gebaseerde) instrumenten. Expeditionary learning voegt kenmerken toe als schoolverbetering, maatschappelijke dienstverlening en multidisciplinaire thema’s. (Thomas, 2000, p. 1)

‘Projectmatig leren kan in de praktijk, afhankelijk van de achterliggende pedagogische, politieke of ethische principes verschillende vormen aannemen’ (Helle, Tynjala & Olkinuora, 2006, pp. 288-289). John Mergendoller, een bekend PGO-onderzoeker en directeur van het Buck Institute for Education, benadrukt bijvoorbeeld het proces waarbij ‘leerlingen zich wijden aan een reeks complexe taken, waaronder planning en ontwerp, probleemoplossing, besluitvorming, het creëren van producten en communicatie over de resultaten’ (Mergendoller, Markham, Ravitz & Larmer, 2006, p. 483). Een groep onderzoekers uit Finland benadrukt het belang van de probleemstelling, de producten en de controle van het leerproces door leerlingen naar aanleiding van hun literatuuronderzoek (Helle et al., 2006, p. 288). ‘Het meest onderscheidende kenmerk van projectmatig leren is de probleemoriëntatie, ofwel het idee dat een probleem- of vraagstelling dient om leeractiviteiten te stimuleren’, aldus Laura Helle en haar collega’s van de universiteit van Turku, Finland. Het tweede onderscheidende kenmerk is de creatie van een concreet voorwerp, gevolgd door het derde kenmerk: beheersing van het leerproces door de leerling. Contextualisering en verschillende representatievormen zijn de overige kenmerken. Het Buck Institute for Education (BIE) lijkt cognitieve leerinhoud en vaardigheden voor de 21e eeuw te benadrukken. Daardoor zijn de kenmerken ‘beheersing van het leerproces door de leerling’ en het ‘product of artefact’ minder belangrijk in de definitie:

Terwijl er ruimte is voor een zekere mate van controle van het leerproces door leerlingen, worden complexe projecten zorgvuldig gepland, gemanaged en beoordeeld om leerlingen de belangrijkste cognitieve leerinhouden te onderwijzen, vaardigheden voor de 21e eeuw te oefenen (zoals samenwerking, communicatie en kritisch denken) en te helpen bij het creëren van hoogwaardige, authentieke producten en presentaties. (Buck Institute for Education, 2012)

Dit blijkt ook uit de rangorde van de essentiële kenmerken van ‘complex, zinvol en effectief projectmatig leren’ volgens het BIE. Bovenaan staat dat het doel van PGO is om belangrijke inhoud te onderwijzen. Om met de woorden van BIE te spreken: ‘Leerdoelstellingen voor leerlingen worden expliciet afgeleid van inhouden en kernbegrippen die centraal staan in academische disciplines.’ Het tweede kenmerk is dat PGO kritisch denken, probleemoplossing, samenwerking en verschillende vormen van communicatie moet omvatten. Deze kenmerken worden ook wel aangeduid als de vaardigheden voor de 21e eeuw. Het toestaan van een zekere mate van inspraak van leerlingen staat op de zesde plaats van de in totaal acht kenmerken. Het betrekken van een openbaar publiek is het laatste kenmerk (Buck Institute for Education, 2012).

PGO op High Tech High heeft daarentegen de neiging om aan het product meer waarde toe te kennen dan aan de inhoud. Een gezamenlijke publicatie van High Tech High en het Engelse Learning Futures-project met als titel Work That Matters: The Teachers’ Guide to Project-based Learning definieert PGO als: ‘Leerlingen die een uitgebreid project ontwerpen, plannen en uitvoeren met een publieke output, zoals een product, publicatie of presentatie’ (Patton & Robin, 2012, p. 13). De drie ‘sleutels tot succesvolle projecten’ die in deze publicatie worden vermeld, zijn: uitstraling, meerdere conceptversies en feedback – allemaal relevant voor het maken van een bijzonder product. Variaties zijn er vooral in drie dimensies. De eerste dimensie heeft te maken met het verwachte resultaat of doel, dat kan worden gebruikt om bepaalde inhoud te onderwijzen of een bijzonder product te creëren. Kortom, het project kan volledig ontstaan vanuit de wens om een bepaald product te maken, maar het project kan ook worden uitgevoerd op basis van een voorgeschreven inhoud of curriculum. Ten tweede kan een PGO-leerervaring volledig geleid worden door leraren. Ze kan ook geheel of gedeeltelijk door leerlingen worden geleid. De derde dimensie heeft te maken met de setting. Deze kan variëren van een individuele klas of discipline tot gemengde klassen of meerdere disciplines. Combinaties van deze variaties resulteren vervolgens in drie verschillende PGO-modellen, die elk een verschillend doel dienen. Tabel 8.1 geeft een overzicht van de belangrijkste verschillen tussen de drie mogelijke varianten die ik heb genoemd: een academisch model, een gemengd model en een ondernemend model.

Het academisch model

Het academisch model weerspiegelt een traditionele invulling van PGO. In dit model wordt PGO gebruikt als een effectievere manier om voorgeschreven kennis en vaardigheden te onderwijzen. De voorgeschreven inhoud en vaardigheden dragen het project. Het resultaat is een beter begrip van de inhoud of verbeterde vaardigheden. De eventueel gemaakte producten zijn slechts een bijkomstigheid. In sommige gevallen worden de producten gebruikt als prikkel of als motivatie. Maar zelden zijn de producten bedoeld voor iemand anders dan de leraar, medeleerlingen of ouders. De effectiviteit van dit model wordt vaak bepaald door de mate waarin leerlingen de inhoud beheersen of de vaardigheden verwerven. In dit model heeft de leraar veel meer, zo niet volledig, de controle over wat er moet worden geleerd, welk project er geïmplementeerd moet worden, hoe het project wordt uitgevoerd en hoe het eindproduct wordt geëvalueerd. Leerlingen hebben bepaalde keuzemogelijkheden uit het aanbod van de leraar, kortom, een zekere mate van inspraak. Meestal wordt dit model gebruikt door een individuele leraar in zijn eigen klaslokaal.

Dit model wordt vandaag de dag het meest gebruikt op scholen. De PGO-ervaringen van mijn kinderen zijn representatief voor dit model. Vrijwel alle onderzoeken over PGO gaan over dit model. De centrale vraag die men probeert te beantwoorden, is of en in welke mate PGO effectiever is voor het overbrengen van kennis of het ontwikkelen van vaardigheden dan andere methoden, bijvoorbeeld lessen. Dit is inderdaad het geval, zoals blijkt uit de vele beoordelingen van onderzoeksstudies over PGO (Helle et al., 2006; Strobel & Barneveld, 2009; Thomas, 2000; Walker & Leary, 2009).

 

Het gemengde model

Het gemengde model waardeert de producten – bijvoorbeeld de boeken, video’s, affiches of hoorspelen. Tegelijkertijd hecht het model ook waarde aan voorgeschreven cognitieve leerinhouden. De eindproducten moeten van hoge kwaliteit zijn en worden meestal gebruikt door een authentiek publiek. Het is ‘werk dat ertoe doet.’ Dit is misschien wel de reden waarom leraren van High Tech High tentoonstellingen beschouwen als de belangrijkste sleutel tot succes en waarom de school zoveel nadruk legt op meerdere concepten verkennen en deze van feedback voorzien (Patton & Robin, 2012). Het zijn noodzakelijke stappen om zowel kwalitatief hoogwaardige producten te maken als een duurzaam diepgaand leerproces te ondergaan. Extern voorgeschreven kennis en vaardigheden, zoals door de overheid voorgeschreven standaarden, worden niet genegeerd, maar ze vormen evenmin het uitgangspunt. De voorgeschreven kennis en vaardigheden mogen de projecten niet definiëren, beperken of begeleiden. ‘Volg je passie en laat het project het curriculum bepalen’, schreef High Tech High-lerares Angela Guerrero in een artikel met de titel ‘Where Do Projects Come From’:

Dit zijn de mantra’s van mijn wijze onderwijspartner, Rod Buenviaje. Rod luisterde geduldig wanneer ik mijn zorgen uitte over mijn onvermogen om zinvolle projecten te bedenken. Aan het einde van elk gesprek zou hij steeds deze mantra herhalen. Ik zou instemmend knikken en wezenloos uit het raam staren. Ik begreep nooit volledig wat hij bedoelde. Na het zien van Antins tentoonstelling werd het me ineens duidelijk. Ik deed iets waar ik van hield. Ik was er gepassioneerd over. Ik wilde dat de kinderen het zouden zien. Ik wilde het onderwijzen. Het werd een project dat richting zou geven aan het curriculum. (Guerrero, 2009)

Om ervoor te zorgen dat bepaalde kennis en bepaalde vaardigheden worden onderwezen, geeft dit model de leraar of een groep leraren de controle over het proces. Ondanks het feit dat ze input van leerlingen kunnen vragen, zijn het over het algemeen toch leraren die beslissen welk project gelanceerd wordt, welke producten gemaakt worden en hoe het project moet worden uitgevoerd. Leerlingen krijgen een bepaalde mate van vrijheid binnen het voorgeschreven project om creatief te zijn en zich te specialiseren op bepaalde facetten van het project. Leerlingen worden ook betrokken bij peerreviews van producten. Dit model vereist meestal meerdere leraren of onderwijsruimten, omdat het een multidisciplinair project is, waarbij expertise uit verschillende vakgebieden vereist is. De setting kan een traditioneel klaslokaal zijn. Het is echter waarschijnlijker dat het een combinatie van faciliteiten is die specifiek voor bepaalde soorten projecten zijn ontworpen, zoals ateliers, een digitaal media-lab, een tuin, instellingen buiten de school, zoals musea, of lokale bedrijven.

Het gemengde model van PGO komt vandaag de dag niet veel voor op scholen, want het vereist een transformatie op schoolniveau. PGO is geen verbeterde instructiemethode ten opzichte van de traditionele methode, maar meer een strategie om de hele leercontext te transformeren. PGO is zowel oorzaak, gevolg als hefboom voor onderwijsverbetering, een mooie combinatie van beroepsvorming en traditionele vakken, iets wat Larry Rosenstock altijd al na heeft gestreefd. Het doel van dit model is niet zozeer het overbrengen van kennis, maar het ontwikkelen van eigentijdse vaardigheden. Het Buck Institute for Education stelt:

Als we hedendaagse onderwijsdoelen willen bereiken, dan moet PGO het middelpunt vormen van het onderwijs in de 21e eeuw. Het project bestaat uit en omkadert het curriculum. Dit verschilt van de zienswijze waarin een klein ‘project’ of een bescheiden activiteit toegevoegd wordt aan het traditionele onderwijs. PGO is ‘het hoofdgerecht, geen dessert’. (Buck Institute for Education, 2012)

Dit model bevindt zich in het midden van het spectrum dat uiteenloopt van een meer traditioneel academisch model naar een meer ondernemend onderwijsmodel. Het doel is zowel het project als de academische inhoud, zoals blijkt uit de evaluatiegids van High Tech High en het Learning Futureproject. In deze gids staan drie vragen voor de uiteindelijke beoordeling:

  • Voldoet het product aan de criteria die we aan het begin van het project stelden?
  • Heeft de leerling de vaardigheden ontwikkeld die nodig zijn voor de uitvoering van dit project?
  • Heeft de leerling de curriculuminhoud geleerd die nodig is voor dit project? (Patton & Robin, 2012)

Het ondernemend model

Het ondernemend model van projectmatig onderwijs bouwt voort op het gemengde model, maar kent een paar belangrijke wijzigingen. Het doel is om ondernemendheid en ondernemende vaardigheden te ontwikkelen en daarom legt het ondernemend model meer nadruk op het resultaat: de eindproducten of dienstverlening. Ze moeten niet alleen van hoge kwaliteit zijn, maar ook aantrekkelijk voor een levensecht publiek. Het product of de dienst moet voldoen aan een authentieke behoefte van een afnemer, die bereid is om tijd, energie of geld te investeren in het product of de dienst. Kortom, de PGO-ervaringen helpen leerlingen iets te maken wat anderen willen gebruiken, terwijl ze tegelijkertijd de kennis en vaardigheden leren die essentieel zijn voor het creëren van kwalitatief hoogwaardige en aantrekkelijke producten of diensten.

In het ondernemend model hebben de leerlingen zelf meer zeggenschap over het project. Zij doen een projectvoorstel en initiëren het project. Ze moeten goedkeuring van de leraar zien te krijgen voor het project en, indien nodig, hun leeftijdgenoten overtuigen om partner te worden. Hiervoor moeten ze een ondernemingsplan opstellen, compleet met documentatie, een analyse van de doelgroep en zijn behoeften, een haalbaarheidsanalyse en een marketingstrategie. De leraar heeft in dit model de rol van mogelijke investeerder. Hij helpt bepalen of er behoefte is aan het project en of het haalbaar is. Hij is de adviseur, die op verzoek suggesties doet en hulpmiddelen aanreikt. Hij is de motivator, die aanmoedigt in tijden van teleurstelling. Hij is de focusgroep, die feedback en kritiek geeft op prototypes. En hij is de partner, die voorziet in complementaire expertise en vaardigheden. De leraar en andere volwassenen kunnen voorzien in mogelijkheden, helpen om behoeften vast te stellen, helpen om verbindingen aan te gaan met relevante partijen of suggesties doen voor mogelijke andere projecten. Maar uiteindelijk zijn het de leerlingen die moeten beslissen wat ze gaan maken of doen. In het gemengde model worden projecten vaak in groepsverband uitgevoerd, dat wil zeggen dat een groep leerlingen (bijvoorbeeld een hele klas) aan hetzelfde project werkt. In het ondernemend model kunnen projecten in groepsverband, maar ook individueel worden geïnitieerd.

De setting voor PGO in het ondernemend model kan bestaan uit individuele lessen, maar vereist ook vaak een platform op schoolniveau. Ten eerste hebben leerlingen waarschijnlijk veel meer tijd nodig dan een gemiddeld schoolsemester om kwalitatief hoogwaardige producten te kunnen maken. Ten tweede zullen leerlingen toegang moeten hebben tot expertise die verdergaat dan de expertise van een individuele leraar. In veel gevallen moet deze deskundigheid buiten de school worden gezocht. Ten derde zijn de kennis en vaardigheden die nodig zijn om levensechte producten te creëren, niet te vangen in een enkel schoolvak. Ten vierde zullen de leerlingen een platform nodig hebben om potentiële afnemers te bereiken. Tot slot kunnen sommige leerlingen betrokken raken bij belangwekkende projecten of diensten die uitzonderlijk tijdrovend zijn. In zo’n geval moeten ze gebruik kunnen maken van speciale regelingen.

Samenvattend heeft het ondernemend model als doel om individuele talenten, creativiteit en ondernemendheid te koesteren. De focus ligt op het product of de dienst, niet op het project. Het maken en verspreiden van een product zal zeker resulteren in leren. Maar wat er geleerd wordt, past wellicht niet goed meer in door de overheid opgelegde normen of in het curriculum. Bovendien is het maken en verspreiden van producten of diensten meer dan het uitvoeren van een project. Het voegt twee fasen toe aan een typisch projectmatige leerervaring. De eerste is de voorstelfase, waarin de leerlingen een project initiëren of een product of dienst bedenken. De tweede is de marketingen onderhoudsfase, waarin leerlingen tijd moeten besteden aan het verkopen, verspreiden en onderhouden van het product of de dienst. Ik zou dit model graag productgericht onderwijs noemen, om het te onderscheiden van het conventionele projectmatig onderwijs.

World Class Learners

Onderwijs voor een ondernemende generatie

Bereid uw studenten voor op de geglobaliseerde wereld!

In de nieuwe mondiale economie, zullen veel banen die nu bestaan er niet meer zijn, tegen de tijd dat de huidige generatie leerlingen het werkveld betreedt. Om te slagen in deze steeds veranderende wereld, moeten studenten in staat zijn om te denken als ondernemers: vindingrijk, flexibel, creatief en mondiaal.

Dit boek ontsluit de geheimen voor kweken van onafhankelijke denkers die bereid en in staat zijn om het door hen geleerde anders te gebruiken om banen te creëren en een postieve bijdrage te leveren aan de geglobaliseerde samenleving.

Auteur(s): Yong Zhao
Uitgeverij: Uitgeverij OMJS i.s.m. Stichting de Brink
Taal: Nederlands
ISBN: 978-90-81748-48-3
Uitvoering: hardcover
Jaar van uitgave: 2014
Druk: 1e
Aantal pagina’s: 260
Close Menu

Onderwijs Maak Je Samen

Steenovenweg 50
5708HN Helmond

T: +31(0)492881157
E: info@onderwijsmaakjesamen.nl